Mozarts schedel

Inleiding.

De geschiedenis van het Mozarts dodenmasker en zijn schedel hebben een aantal opmerkelijke overeenkomsten voor zover betrouwbaarheid gaat. Er zijn wederom bronnen die vermelden dat de relikwieën ooit echt bestaan moeten hebben en aan de vergetelheid zijn ontsnapt door een toevallige speling van het lot. Wederom zijn er de vervelende tijdgaten die het vaststellen van de authenticiteit lastig, maar in dit geval niet onmogelijk maakt. Het masker is als een portret, een exacte gelijkenis met Mozart’s gezicht, de schedel zou een wezenlijk onderdeel van de componist geweest kunnen zijn, en daarbij, een van de meest veelzeggende, zijn hoofd. Het hoofd waarin al die onsterfelijke muziek geboren is die ons vandaag de dag geluk en troost blijft brengen. Het is dan ook geen wonder dat ook het verhaal over de schedel internationale aandacht heeft gevraagd. Als we vast kunnen stellen dat we daadwerkelijk in het bezit zijn van Mozart’s schedel maakt dit een beetje goed voor het feit dat we in alle eerlijkheid geen flauw benul hebben van waar de componist begraven lag.

Nog meer dan het verhaal over het masker is dat van de schedel een Weense “urban legend” geworden. Het begint ook allemaal op diezelfde grimmige 5 Decembernacht als Mozart sterft aan wat waarschijnlijk een gevaarlijke nieraandoening met vele complicaties was. We hebben in feite meer bronnen die vermelden over de omstandigheden rond zijn dood dan de meeste mensen denken. Naargelang de meest betrouwbare beginnen we het verhaal een paar dagen voor zijn dood zodat de lezer zich hiermee kan voorstellen wat de omstandigheden waren rond de grootste tragedie uit de muziekgeschiedenis. Dit is van belang om sommige acties van tijdgenoten te verklaren en een overzichtelijk beginpunt te geven aan een verhaal dat al ingewikkeld genoeg is. We zullen ontdekken dat de verhalen over het dodenmasker en de schedel zich op sommige momenten in de tijdlijn kruisen, aangezien beide gebruikt zijn om elkaars authenticiteit vast te stellen. Ik heb me in het artikel over het dodenmasker vastgeklampt aan de feiten zoals ze in de “Mozartologie” algemeen aanvaard zijn en wederom in dit artikel vindt de lezer enkel en alleen de feiten. We zijn helaas al rijk genoeg aan hardnekkige mythes rond Mozart’s leven en de enige manier waarop we ons kunnen verdedigen tegen deze clichés is om standvastig de waarheid zoals wetenschappelijk bewezen te blijven herhalen tegenover het grote publiek, dat hem aan de ene kant looft om zijn onsterfelijke muziek, en aan de andere kant onrecht aandoet door middel van geromantiseerde onwaarheden.

Geschiedenis.

Op een Novemberdag in 1791 bezocht Mozart voor de laatste keer zijn favoriete taverne in de Karntherstrasse. Hij zakte vermoeid neer op een stoel en bestelde een glas wijn. De ober, Joseph Deiner, herinnerde zich dat de componist er buitengewoon gehavend en vermoeid uitzag. Zijn gepoederde pruik zat een beetje scheef en hij voelde zich maar weinig aangespoord tot het drinken van zijn wijn. Deiner’s pogingen om de componist op te vrolijken mochten niet baten en Mozart moet gezegd hebben: “Ik voel dat er niet veel muziek meer gemaakt gaat worden. Ik voel koude rillingen opkomen waarvoor ik niet insta”. Net voordat hij wegging vroeg hij Deiner om de volgende morgen zijn vrouw Constanze te helpen met het verzamelen van haardhout. Als Deiner de volgende morgen het appartement van de Mozart’s in de Rauhensteingasse opzoekt, treft hij Mozart op zijn sterfbed. “Josef, er hoeft vandaag niets gedaan te worden, vandaag gaan we bezig zijn met doctoren en apotheken”. Mozart ruste neer op zijn sterfbed op 20 November 1791. Zijn laatste ziekte had hij waarschijnlijk tijdens een epidemie opgelopen in de vrijmetselaarsloge en duurde niet langer dan 15 dagen. Tijdens de nacht had Mozart geklaagd bij zijn vrouw over de pijn die hij voelde als hij zich bewoog in bed. Constanze verteld later dat zijn handen en voeten gezwollen en erg gevoelig waren. Deze zwellingen werden beter zichtbaar en verspreidde zich, wat wetenschappers tegenwoordig doet geloven dat Mozart aan Neprhotische Edema leed. (De gewichtigheid van deze stelling zullen we later bekijken) Heftige zweetbuien, braak en diaree maakte zijn laatste dagen en nachten een ware hel. Daarbij begon zich langzaam een verlamming te manifesteren die hem op het laatste geheel afhankelijk maakte van anderen. Benedikt Schack, welke een regelmatige bezoeker was, zei dat de componist zo zwak was dat hij omhoog getrokken moest worden wilde hij rechtop zitten in bed. De pijnlijke combinatie van zwellingen en verlammingen maakte het moeilijk om voor Mozart te bewegen in bed (of om hem te bewegen). Sophie Weber (Mozart’s schoonzus) en haar moeder maakte daarom voor Mozart een nachthemd dat van voren aangedaan kon worden zodat hij niet uit bed hoefde om te verkleden. Door een later verslag van een ooggetuige kan gesteld worden dat Mozart op een bepaald moment compleet verlamd was aan een kant van zijn lichaam. Later begonnen ook tekenen van geestelijke zwakte op te steken. Zo moest zijn geliefkoosde kanarie uit de kamer verwijderd worden omdat elke keer als het beestje delen van Mozart’s muziek floot, de componist in hysterische huilbuien uitbarstte. Tegen deze tijd ontwikkelde hij ook een onbekende huiduitslag. Mozart werd behandeld door Dr. Thomas Franz Closset, een arts van het grote Weense ziekenhuis welke ook Constanze had behandeld in Juli 1789. Dr.Closset kende Mozart goed en had de ontwikkeling van Mozart’s ziekte meegemaakt. Vanwege de eigenaardige huiduitslag die niet bij zijn andere symptomen leek te passen riep Closset de hulp in van een andere arts op dat gebeid uit hetzelfde ziekenhuis, ene Dr. Mathias von Sallaba. Het consultatiegesprek vond plaats op 28 November en buiten het feit dat we weten dat er een sectie werd uitgevoerd zijn geen details bewaard gebleven. Sallaba wist zich ook geen raad met de ziekte en constateerde een zekere koortsvariant die veel voorkwam in die tijd vanwege de aanwezigheid van de huiduitslag. Mozart’s conditie verschilde een beetje van dag tot dag. Zijn hevige braakbuien waren meestal s’avonds het hevigst. Tijdens de avonden volgde hij in zijn gedachten de opvoeringen van “Die Zauberflote” en deed hij nu en dan wat werk aan het Requiem waarvan hij delen uitprobeerde met zijn vrouw, zijn leerling Sussmayer en andere aanwezige vrienden. Op Zaterdag 3 November leek er een kleine verbetering in zijn toestand te zijn en hij vertelde zijn schoonmoeder dat hij haar een bezoek zou brengen een week na haar verjaardag. De volgende Zondag om 14:00 uur werd er een kleine privé repetitie gehouden van het Requiem welke aan Mozart’s bed plaatsvond. De componist zelf zong de altpartij, Schack nam de sopraanstem, Franz Hofer de tenor en Gerl de bas. Zo zongen zij het stuk door tot aan het eerste deel van het Lacrimosa. Hier moest gestopt worden omdat Mozart tijdens dit deel in tranen uitbarstte. Later lied Mozart ook weten graag een laatste keer zijn “Zauberflote” te horen en begon het vogelvangerslied te neuriën waarop Johann Roser, tot het grote genoegen van de componist, achter de piano plaatsnam en het zong. Later op die Zondag toen Sophie Weber langskwam, zei constanze: “Godzijdank dat je er bent lieve Sophie. Afgelopen nacht was hij zo ziek dat ik hem vanochtend niet levend verwachte. Blijf bij me vandaag, want als hij nog eens zo’n slechte draai neemt sterft hij vannacht.” Toen Sophie verder naar binnen liep om Mozart te zien zij hij: “Ah, lieve Sophie ik ben blij dat je bent gekomen. Je moet hier vannacht blijven om me te zien sterven.” Snel daarna zei hij: “Ach, ik heb de smaak van de dood reeds op mijn tong. Als jij niet blijft, wie moet mijn liefste Constanze dan steunen als ik er niet meer ben? “ Sophie rende daarop snel weg naar haar moeder om haar op de hoogte te brengen van de situatie. Daarna, zoals Constanze haar gevraagd had, snelde zij naar de St. Pieterskerk en verzocht om een priester om Mozart een “toevallig” bezoek te brengen zodat hij niet in paniek zou raken. Uiteindelijk kwam er iemand om de laatste sacramenten toe te dienen maar niet enthousiast. Waarschijnlijk omdat Mozart vrijmetselaar was en niet zelf om een bezoek had gevraagd. Toen Sophie terugkeerde naar Mozart’s appartement trof zij Sussmayer aan naast het bed. Het Requiem lag op zijn schoot en Mozart vertelde zijn leerling hoe het afgemaakt diende te worden na zijn dood. “Ik zei toch dat ik het Requiem voor mijzelf schreef” zei hij terwijl hij er met tranen in zijn ogen naar keek. In de avond werd gevraagd naar Dr. Closset die pas na een tijd aangetroffen werd in het theater en pas langs kwam nadat het spel was afgelopen, rond 23:00 uur. Mozart had hoge koorts en Dr. Closset vertelde Sussmayer in vertrouwen dat alle hoop ijdel was. Hij vertelde Sophie een handdoek met azijn en koud water over het brandende voorhoofd van de componist te leggen waarna een hevige siddering door zijn lichaam ging, gevolgd door het verlies van bewustzijn. Constanze was zo hysterisch dat Dr. Closset haar moest verdoven. Tegen middernacht probeerde Mozart zich in bed omhoog te hijsen, opende wijd zijn ogen en ging daarna weer liggen met zijn gezicht naar de muur. Sophie vertelde later dat het laatste geluid wat de componist maakte het gepuf met zijn wangen was, waarmee hij de paukenpartij uit het Requiem uit wilde beelden. Daarna bleef hij bewusteloos en om 12:55 exact stierf hij in de armen van Sophie, op Maandag 5 December 1791, Zijn Requiem onvoltooid met als laatste deel het Lacrimosa. Zijn laatste werk dat na een bulderend crescendo eindigt op een onopgelost dominant mineurakkoord.

 

Zelfs Lorenza da Ponte, Mozart’s librettist voor ondermeer Don Giovanni, had geen extra drama toe kunnen voegen aan het verhaal van Mozart’s sterven. Het is makkelijk voor te stellen dat zijn leven en dood later inspiratie zouden vormen voor theaterstukken, hollywoodfilms en romans. Na Mozart’s dood worden een aantal zaken in werking gezet, en langzamerhand komen we aan op het punt dat betrekking heeft tot zijn veelbesproken schedel. Om te beginnen is het eerst van belang zijn begrafenis onder ogen te nemen. Er is veel gediscussieerd over wie er nu wel en niet aanwezig was, de weersomstandigheden, en de reden dat er geen grafsteen aangemaakt werd. Als eerste, Constanze. In tegenstelling tot wat algemeen aangenomen wordt, was zei NIET aanwezig. In de momenten na Mozart’s dood was zij zo overstuur dat ze bij haar overleden echtgenoot in bed kroop in de hoop zijn ziekte ook te krijgen en met hem te kunnen sterven. Dit gebeurde niet aangezien Mozart’s nieraandoening niet besmettelijk was. Kort daarop komt baron Gottfried van Swieten langs om haar te troosten en zij werd tijdelijk ondergebracht in het huis van ene Herr Bauernfeld, een collega van Emanuel Schikaneder (Mozart’s librettist voor “Die Zauberflote”) en vandaar dat zij de begrafenis niet heeft bijgewoond. Dit in ogenschouw nemend is het waarschijnlijk dat haar schrift in het condoleance register gedateerd, 5 December 1791, van latere datum is. Zij schreef: “Geliefde Mozart, welke door mij en heel Europa niet vergeten kan worden”

 

Mozart’s dood werd ook niet compleet genegeerd zoals wel eens beweerd word. In de dag na zijn overlijden kwamen vele naar de straat waarin het appartement gevestigd was om te rouwen. In de taverne van Joseph Deiner ging rinkelend de deur open. Mozart’s dienstmeisje Elise kwam snikkend binnen. “Herr Deiner, komt u alstublieft om mijn meester aan te kleden” “Om een stuk te lopen?” vroeg Deiner. “Nee, hij is dood. Hij is een uur geleden gestorven, haast u alstublieft”. Deiner trof Constanze verdrinkend in tranen aan en niet in staat om rechtop te staan. Hij kleedde Mozart aan en in de morgen werd het lichaam op een tafel, bedekt met een zwart kleed gelegd. Rond deze tijd moet ook de wassenbeeld gieter, Muller, naar Mozart zijn gegaan om zijn dodenmasker af te nemen. Gottfried van Swieten, die Constanze in het huis van Bauernfeld had ondergebracht, nam de taak van de begrafenis op zich. Er is veel geschreven over hoe het mogelijk is dat Mozart geen grafsteen of uitbundige uitvaart had. Om niet teveel uit te breiden zal ik deze twee vragen beantwoorden waarna het verhaal over de schedel begint. Mozart stierf in armoede, en door de uitvaart simpel en goedkoop te houden hoopte van Swieten Mozart’s weduwe geen extra lasten op te leggen. Het kan dan onvoorstelbaar lijken, maar Mozart kwam uit de middenstandsklasse. Een grote begrafenis werd behouden voor mensen uit de adellijke stand, dus regelde van Swieten een gezamenlijk graf voor de componist. Een massagraf waarvan tegenwoordig word verondersteld dat Mozart het deelde met 15 a 20 anderen, en ook hierdoor was een grafsteen onmogelijk. Veel mensen verwijten het Mozart’s weduwe dat zij niet heeft gezorgd voor een propere begrafenis, of op z’n minst een grafsteen. Zoals al gezegd was zij niet degene die de begrafenis regelde en later verklaarde zei dat ze onder de indruk was dat van Swieten ook voor een grafsteen zou zorgen.

 

De bovenstaande gebeurtenissen zijn feiten en bevestigd door meerdere verslagen van ooggetuigen. Vanaf (over liever gezegd tijdens) Mozart’s begrafenis neemt het verhaal echter een vreemde wending. De volgende gebeurtenissen zijn verbaal overgeleverd en zijn de oorzaak van alle ophef rond de schedel, of ze daadwerkelijk op feiten berusten is de vraag. Het verhaal gaat dat een aantal jaren voor Mozart’s dood een jonge tuinierszoon genaamd Joseph Rothmayer tijdens een kerkdienst muziek van Mozart hoort, waarvan Rotmayer erg onder de indruk raakt. Na de dienst doet hij navraag over de componist ervan, en is verbijsterd als hij hoort dat de muziek is gecomponeerd door een jongen niet veel ouder dan hijzelf. Er is erg weinig bekend over de levenshistorie van Rothmayer. Wat we wel weten is dat hij een gepassioneerd muziekliefhebber moet zijn geweest en ten tijde van Mozart’s dood grafdelver was op het St.Marx kerkhof te Wenen. Verbaast is hij dan ook, als op een decembernacht een kleine derderangs rouwstoet met paard en wagen een enkele kist naar de poort brengen, en hij op de lijst de naam “Mozart” ziet staan. In een flits herinnerd hij zich de kerkdienst van een aantal jaren terug en alle muziek van Mozart die hij sinds toen gehoord had. Niet met zekerheid wetend of het om DE Mozart gaat, noteert hij bij thuiskomst de gebeurtenis op zijn kalender om later zekerheid over de zaak te krijgen. Het gedeelde graf van Mozart was volgens hem bijna vol, en Mozart kreeg de laatste en bovenste plek. Uit voorzorg om het lichaam later te kunnen herkennen, zou Rothmayer een rood koord om de nek van de componist hangen, om hem vervolgens met een flinke schep ongebluste kalk het graf in te leggen. Het graf werd dichtgegooid en de zaak leek afgedaan.

Maar kerkhoven raken vol, en in die tijd was het de gewoonte om alleen de graven van de nobiliteit en bovenste sociale klassen te behouden, terwijl die van de lagere standen omgewoeld werden om nieuwe ruimte te maken. Het was dan ook 10 jaar na Mozart’s dood voordat zijn graf (en dat van circa 15 andere) heropend werd. Hoe de schedel uit het graf is “gered” is niet geheel duidelijk, en er bestaan maarliefst twee versies van hoe dit gebeurd moet zijn. De eerste gaat dat tijdens het heropenen van het graf Rothmayer nog steeds werkte als opzichter op het St.Marx kerkhof en het lichaam identificeerde dankzij het door hem aangebrachte rode koord, de schedel meenam, en de rest van de beenderen met alle andere in het graf omspitte. De tweede verteld dat tijdens een moment van muzikaal enthousiasme Rothmayer zich naar het graf snelde en de schedel simpelweg meenam om als relikwie te bewaren (een lot dat ook het hoofd van Joseph Haydn heeft ondergaan) Hoe dan ook, de schedel word voor het omspitten van het graf meegenomen door Rothmayer en hij noteert ook dit in zijn kalender. Alleen aan zijn meest intieme vrienden laat Rothmayer de schedel zijn, die hij in linnen heeft gewikkeld en in een kastje bewaard. Wanneer Rothmayer overlijd is niet bekend. Wat we wel weten is dat zijn opvolger, Johann Joseph Radschopf (Ratshoff), een zelfs grotere muziekliefhebber moet zijn geweest en zowel de kalender als de schedel goed bewaard.

Een regelmatige bezoeker van het kerkhof vanwege zijn daar begraven moeder, is Jakob Hyrtl. Hyrtl is een kopergraveerder en muzikant die al in het bezit was van het bekende Boxwood medaillon dat Mozart afbeeld, en in Mei 1789 gemaakt werd door Leonard Posch. Dezelfde Posch die werkzaam was in het rariteitenkabinet van Muller (zie Mozart’s dodenmasker). In 1842 schuilt Hyrtl tijdens een zware storm in het op het kerkhof gelegen huisje van Radschopf. Ze raken aan de praat over muziek en Radschopf toont Hyrtl de schedel. Hyrtl verteld dat zijn broer een vermaand antropoloog is en dat voor hem de schedel een enorme waarde zou hebben, waarna Radschopf hem de schedel geeft. Deze blijft in Hyrtl’s bezit tot zijn dood in Januari 1868 waarna de schedel officieel in het bezit raakt van zijn broer, de antropoloog.

Dokter Hyrtl start onderzoeken naar de schedel, maar niet voordat er een aantal vervelende gebeurtenissen plaatsvinden die wederom vraagtekens zetten bij de authenticiteit van de schedel. Nog voor het overlijden van zijn broer, zend Dokter Hyrtl hem naar een archiefhouder in het stadshuis om zodoende al wat bevestiging te kunnen vergaren omtrent Mozart’s begrafenis. Een grote vergissing blijkt wel, aangezien de archiefhouder in plaats van informatie te geven uitroept dat niemand het recht heeft om in geweide grond begraven beenderen te bezitten. Hij bedreigt de gebroeders Hyrtl met serieuze consequenties voor het bezitten van de schedel zonder dit te vermelden aan de autoriteiten. Beangstigd door deze dreigementen laten de Hyrtl’s weten dat ze de schedel terug hebben gegeven aan de grafopzichter die hem netjes weer in het graf zou hebben gelegd. Iets wat door de archiefhouder als een leugen bewezen had kunnen worden, aangezien Mozart’s graf uiteraard al lang omgewoeld was. Naderhand moet dokter Hyrtl echter gezegd (en geloofd) hebben dat zijn broer om van alle problemen af te zijn de schedel simpelweg in de Donau had gegooid. Een verklaring die waarschijnlijk uit angst werd gemaakt en daarbij niet waar, aangezien de vermeende schedel opnieuw opduikt gehuld in linnen doeken na de dood van Dr.Hyrtl’s broer in 1868. Dokter Hyrtl herkend de schedel onmiddellijk en start zijn onderzoeken.

 

Het eerste dat Hyrtl meent te ontdekken is dat de geschiedenis van de schedel tot dan toe op waarheid berust. Dit doet hij echter voornamelijk op het feit dat de kalender van de grafopzichter Radschopf meldingen maakt van zowel de begrafenis als het opgraven van mozart’s schedel. Hyrtl is in de overtuiging dat de schedel uit het graf verwijderd moest zijn tijdens de heropening van het graf in voorbereiding van het omploegen. Ook noteert hij dat de bovenste vier incisietanden beschadigd waren nog voor hijzelf in het bezit kwam van de schedel. Tijdens zijn eigen onderzoeken naar de schedel zaagde Hyrtl hem in vlakbij de externe auditieve meatus (zie afbeelding) waarbij hij de 4 incisietanden verder beschadigde. In 1875 beschrijft dokter Hyrtl de schedel nauwkeurig in zijn notities en plaats het op een fluweel kussentje in een glazen stolp. Verder bevestigde hij aan het voorhoofd een label met de tekst “Wolgang Amadeus Mozart, Gestorben 1791, geboren 1756, Musa Vivat Mori! Horaz!”

 

Na de dood van dokter Hyrtl in 1894 verdwijnen de basis, de onderkaak, en de vier incisietanden van de schedel. Het Boxwood medaillon uit zijn bezit werd geschonken aan het Mozarteum in Salzburg. Een justitieel onderzoek na de dood van zijn weduwe in 1899 bevestigde de inscriptie op het label en de waarschijnlijke authenticiteit van de schedel, dat in het bezit zou blijven van het Hyrtl weeshuis in Modling totdat het op 6 Oktober 1901 gekocht werd door het Mozarteum. De schedel werd vervolgens tentoongesteld totdat de afwezigheid van de vier incisietanden en de onderkaak verwarring en onzekerheid veroorzaakte over de authenticiteit. De schedel werd vervolgens naar de archiefkelders verplaatst waar het zich vandaag de dag nog steeds bevindt.

Een grappige anekdote over deze periode dat de schedel tentoongesteld werd is hier wel op zijn plaats, hoewel deze niets toevoegt aan de wetenschappelijk historie. Door verschillende stafleden van het Mozarteum werden spookachtige verhalen verteld over de schedel die zeker bijgedragen hebben aan de vroegtijdige overplaatsing naar de archieven. Tijdens de nachten zou er geschreeuw, gegil, en zelfs muziek te horen zijn afkomstig uit de schedel. Het verhaal verspreidde zich als een lopend vuurtje bij het personeel, en aan de directie werd verzocht het voorwerp te verplaatsen. Uiteindelijk werd dan ook besloten dit te doen door als eerste de spookverhalen, ten tweede door de betwijfelde authenticiteit en ten derde door het feit dat het door het publiek als “ongepast” beschouwd werd menselijke onderdelen tentoon te stellen.

De spookverhalen over de schedel zijn uiteraard onzin, hoewel het wel een voorteken was van de internationale aandacht die het relikwie toentertijd al aantrok. Uitgeblust door de historische twijfelingen lag de schedel lange tijd nog steeds op het fluwelen kussen en in een glazen stolp veilig opgeslagen in de archieven totdat er een aantal jaren terug een nieuw onderzoek plaatsvond. De Salzburgse Antropoloog Dr.Gottfried Tichy en haar medewerkers onderzochten de schedel zorgvuldig gedurende twee jaar. Om de volledige wetenschappelijke bevindingen van dit onderzoek hier te vermelden is onmogelijk. Wel heb ik ervoor gekozen enkele van deze bevindingen op een rij te zetten zodat er op z’n minst een globaal beeld van dit onderzoek naar boven komt.

Uit vergelijking met andere schedels, afkomstig van het St.Marx kerkhof, bleek dat de schedel niet meer dan 2 jaar begraven heeft gelegen.
Een positieve identificatie kwam voort uit vergelijkingen tussen authentiek bewezen Mozart portretten en de schedel.
De schedel moet toebehoord hebben aan een jonge man uit het centrale Europa.
De inhoud van de schedel werd geschat op een grove 1850cc.
Beide oogkassen zijn ovaal gevormd, hoog, weid en van mindere inhoudscapaciteit.
Onderzoek naar de leeftijd van het persoon waarbij het gebit gebruikt werd, indiceerde een leeftijd tussen de 25 en 40 jaar.

Deze bevindingen lijken allemaal de authenticiteit van de schedel te bevestigen. Dat de schedel niet meer dan twee jaar begraven heeft gelegen was een verassing. Het lijkt definitief te wijzen op het feit dat de schedel uit het graf is verwijderd nog voor de heropening in 1801, wat daardoor enigszins afdoet aan de geloofwaardigheid van Rothmayer’s stellingen. De positieve identificatie met de portretten van Mozart kan voor een hoop mensen al doorslaggevend zijn. Toch is het belangrijk bij dit soort zaken een aantal feiten in gedachten te nemen. Een portret is geen foto, en geeft daardoor altijd een ander beeld weer de werkelijkheid. Vervormd door de idealen van die tijd waarmee men afgebeeld wilde worden, geeft een portret zowel kenmerken als onwerkelijkheden weer. Toch kwamen uit alle vergelijkingen positieve resultaten voort en dat is bemoedigend. Vooral de portretten van Joseph Lange (Mozart’s schoonbroer) en Doris Stock gaven opmerkelijke overeenkomsten weer. De techniek die gebruikt werd voor deze identificatie noemt men “superimposie”. Simpel gezegd houd dit in dat er een afbeeldingen van de schedel werd genomen waarop een portret van de componist werd gelegd om zo te kunnen waarnemen of gebeente en gelaat op elkaar aansluiten. Met name de zilverstifttekening van Doris Stock gaf een verbazingwekkend resultaat (zie afbeelding). Er zijn ook veel verbanden te vinden tussen eigenschappen van de schedel en de karakteristieke gelaatstrekken van Mozart die we in alle portretten terugvinden. Zo staan de tanden van de bovenkaak wat naar voren gericht, wat zou resulteren in een eveneens naar vorengekeerde bovenlip. Iets wat in alle portretten op te merken is. Ook de oogkassen die volgens het onderzoek een mindere capaciteit aan ruimte aan de ogen zouden moeten geven is te behalen aan de altijd lichtelijk dichtgeknepen oogleden in de portretten. Het dodenmasker waarvan de authenticiteit net zo min was vastgesteld, werd eveneens gebruikt voor onderzoek. Deze bleken niet over of in elkaar te passen. Zoals men kan lezen in het hoofdstuk “Mozart’s Masker” kon dit geen van beide veel kwaad, aangezien het masker door de zwelling van Mozart’s gezicht ten tijde van zijn dood niet over de schedel zou passen en vice versa. Twee andere spannende ontdekkingen zijn dankzij Dr.Tichy’s onderzoek gedaan. Hoewel deze ontdekkingen nog steeds nader onderzocht worden zal ik er hier melding van maken, me tegelijkertijd niet openstellend voor de discussie of ze in de toekomst van historische waarden zullen blijken. Een zeldzame afwijking die voorkomt bij 3 op de 1000 pasgeboren kinderen zou oorzaak kunnen zijn van het prominente, hoge voorhoofd dat Mozart had. Ook voorkomende bij deze geboren afwijking zijn de verminderde oogkassen en vervormingen bij de neusbeenderen. Er zijn wetenschappelijke artikelen voor gepubliceerd en de aandoening werd voor het eerst ontdekt in 1862 door ene Dr.H.Welcker. De tweede van deze ontdekkingen is van een zowel historische als pathologische waarde. In de schedel is een ovale indruk waar te nemen. Deze indruk bevind zich aan de linker binnenkant vlakbij waar de gehoororganen zouden moeten zitten. Röntgenstraling wees op een fractuur van maar liefst 10 cm lang vlakbij deze indruk. Wetenschappelijke feiten zal ik de lezer hier besparen, maar aangenomen word dat Mozart deze breuk voor zijn dood moet hebben opgelopen en wel eens de oorzaak zou kunnen zijn van zijn chronische hoofdpijnen op latere leeftijd. Dr.Tichy’s onderzoek is nog incompleet en er word gewerkt aan een bepaling van Mozart’s bloedgroep en DNA vergelijkingen met Mozart’s overgebleven haarplukken (over welke later meer).

Het jaar 2006 is inmiddels gepasseerd. Het jaar waarin Mozart 250 jaar werd en er een nieuw onderzoek gestart werd naar de schedel. Meer dan ooit vroeg het verhaal internationale aandacht en bij dat het de kranten haalde, werd een speciaal televisieprogramma aan geweid waarin voor eens en voor altijd de authenticiteit van de schedel zou worden vastgesteld. Zowel vermeende haarmonsters van Mozart als beenderen van familieleden werden uit de kasten en graven gehaald en gebruikt voor verificatie. (zie afbeelding). De grote hoop op uiteindelijke zekerheid werd tenietgedaan doordat bekend werd gemaakt dat er simpelweg niet met zekerheid te zeggen was of de schedel wel of niet aan Mozart toebehoorde. Wederom heb ik een paar feiten op een rij gezet die een globaal beeld geven van de onderzoeksresultaten.

Twee haarmonsters werden gebruikt voor DNA onderzoek, een van de twee paste gedeeltelijk bij het DNA profiel gehaald uit weefsel van de kiezen.
De beenderen van Mozart’s nicht gehaald uit het familiegraf voor DNA verificatie in Salzburg hadden geen DNA overeenkomsten met de monster van de schedel.
Personen uit het familiegraf bleken niet allemaal uit dezelfde familie. Iets wat lange tijd wel aangenomen was.

 

Met uitzondering van nog een paar feitjes na, eindigt hier het hoofdstuk van Mozart’s schedel. Het is werkelijk zonde dat dit laatste onderzoek uit 2006 geen definitieve uitslag heeft gegeven. Het lijkt haast nutteloos geweest te zijn. Het tegendeel is waar. We weten nu dat sommige beenderen uit het familiegraf niet toebehoren aan leden van de familie Mozart.

Aan wie deze overblijfselen toebehoren is tot nu toe onduidelijk. We weten dat we ook twijfels moeten zetten bij de haarmonsters, waarvan de authenticiteit tot voor kort op zeker werd geschat. En wie licht er in het graf van Mozart’s nicht? Is de DNA test mislukt of licht er werkelijk een ander persoon? We moeten elk hoofdstuk over de Mozart relikwieën helaas afsluiten met vraagtekens. Het onderzoek uit 2006 alleen al leverde meer vragen dan uitkomsten op. De onderzoeken naar de schedel vormen de mijlpalen van wat we er tegenwoordig over weten. Tussendoor echter zijn zo nu en dan interessante vragen en stellingen opgekomen. Zo is het autopsie rapport van Mozart bewaard gebleven waarin duidelijk staat aangegeven dat de componist bij zijn overlijden 7 tanden bezat. De schedel alleen al (zonder de verloren incisietanden) bevat er meer dan 7. Dit zou men kunnen zien als onomstotelijk bewijs dat de schedel niet van Mozart was, ware het niet dat in de 18 e eeuw tandbederf groot was en de patholoog die Mozart onderzocht wel eens alleen de in goede staat verkerende tanden geteld zou kunnen hebben.

Onderzoek blijft belangrijk ook voor in de toekomst.

Tom Bouwman, April 2008.