Mozarts masker

Inleiding

Vandaag de dag, 250 jaar na zijn geboorte, zijn er tal van legenden en verhalen omtrent het leven en sterven van Wolfgang Amadeus Mozart. Het opmerkelijke leven dat de man had is in ontelbare biografieën beschreven, en zeker de laatste tijd lijken er steeds meer uitstekende naslagwerken over hem te verschijnen. In elk boek over Mozart zal men aan het einde het onvermijdelijke hoofdstuk over zijn dood tegenkomen, en tegenwoordig zijn we dan ook in staat een nauwkeurig, op feiten berustend beeld samen te stellen van hoe zijn laatste dagen er uit moeten hebben gezien. De exacte tijd van zijn dood, de mensen die bij hem waren, de origine van het Requiem en nog vele andere zaken worden uitvoerig onder de loep genomen in onder andere “Mozart’s last year” door Robbins Landon. Dit artikel beperkt zich tot eén van de meest fascinerende verhalen die ontsproten zijn uit het overlijden van de maestro, maar welke tot nu toe weinig belangstelling heeft gekregen in de Mozart literatuur. Namelijk het vermeende dodenmasker dat vlak na Mozart’s dood gemaakt zou zijn, en tegenwoordig tentoon word gesteld in een bewaard gebleven Mozart woning, beter bekend als “das Figarohaus” te Wenen.

Voordat ik verder ga, wil ik de lezer een korte uitleg geven over de term “dodenmasker” aangezien ze tegenwoordig curiosa zijn geworden in museums en niet iedere lezer met ze bekend zal zijn. Een dodenmasker is een afdruk van iemands gezicht, gemaakt van gips of was. Ze moeten daarom niet verward worden met de oud Egyptische en Azteekse maskers, die slechts dienden ter verfraaiing van de overledene en een louter kunstzinnige waarde hebben. De Europese dodenmaskers werden gemaakt als aandenken voor de nabestaande(n), en in de 17 e eeuw werden ze bij de uitvaart vaak tentoongesteld. Ook werden ze gebruikt als voorbeeld voor portretten. In de 18e eeuw werden de maskers echter hoofdzakelijk nog gebruikt ter identificatie, en toen in 1839 de Daguerreotype foto geperfectioneerd werd, verdwenen ze uit het algemene gebruik. Veel bekende dodenmaskers geven ons tegenwoordig onschatbare informatie over het uiterlijk van geschiedenisbepalende personen zoals Beethoven, Napoleon, goethe etc, en brengen ons dichter bij deze personen vaak honderden jaren van ons verwijderd.

Nu de lezer enigszins bekend is met het begrip, kunnen we verdergaan met het masker dat van Mozart zou zijn en zich, zoals gezegd, bevindt in het Figarohaus te Wenen. Hoe het daar kwam, en de geschiedenis van het masker zijn het onderwerp van dit artikel. De reden dat er zoveel ophef is geweest over dit vermeende relikwie (zoals we later zullen lezen in de geschiedenis), is vanwege het feit dat hoewel we veel portretten van Mozart hebben, de meeste niet of nauwelijks overeenkomen waardoor we eigenlijk maar een gebrekig beeld hebben van zijn uiterlijk. Na Mozart’s dood in 1791 begonnen mensen te beseffen wat de wereld eigenlijk kwijt was geraakt, en in de jaren na zijn dood werd de componist een ware “hype”. Er werd door particuliere verzamelaars gretig gezocht naar zijn manuscripten en persoonlijke bezittingen, die vandaag de dag niet alleen een enorme financiële, maar ook een historische waarde hebben. Daarbij steeg ook de belangstelling voor Mozart als mens, zijn karakter en natuurlijkerwijze, zijn uiterlijk. Zeker in de plastische maatschappij van vandaag wil de muziekliefhebber een gezicht dat past bij zijn goddelijke muziek.

Geschiedenis

5 december 1791, 00:55 A.M. In de RauhesteinGasse te Wenen Overlijdt Wolfgang Amadeus Mozart, en met hem het grootste genie dat de muziek ooit zag. Ter plaatse zijn onder andere, zijn vrouw Constanze, Franz Xaver Sussmayr (Mozart,s leerling) en Sophie Weber (Mozart,s schoonzus) die een opmerkelijk en uiterst roerend verslag opstelde van Zijn dood, dat tevens onze eerste bron is waarin het dodenmasker van Mozart genoemd word. Hoewel het gehele verslag bijzonder aangrijpend is, heb ik ervoor gekozen alleen de zin te noteren die betrekking heeft tot het afnemen van het masker en welke ons op weg helpt.

“Nun kam gleich Müller aus dem Kunstkabinett und drückte sein bleiches, erstorbenes Gesicht in Gips ab.”

Sophie Weber (later Haibel), de zus van Mozart,s echtgenote, was dus ter plaatse bij het overlijden van Mozart, en volgens haar eigen verklaring was het zij die Mozart in haar armen hield terwijl de componist zijn laatste adem uitblies. Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de waarheid van dit verslag dat Sophie opstelde, in tegenstelling tot die van Mozart’s weduwe die het nageslacht vermaakte met vaak geromantiseerde toevoegingen aan het leven van haar man. Andere aanwezigen bij Mozart,s dood vertellen over dezelfde gebeurtenissen als Sophie doet in haar verslag en zij zou er geen enkele baat bij hebben feiten aan het verhaal toe te voegen. We hebben hier dus ons eerste bewijs dat er wel degelijk een dodenmasker is afgenomen, en wel door ene “Müller”.

Een jonge Oostenrijkse officier, Graaf Joseph Deym von Stritetz, ontvluchtte het land na een onwettelijk duel. In Holland veranderde hij zijn naam in Müller en werd een getalenteerd beeldhouwer van hoofdzakelijk was en pleisterkalk. Gaandeweg maakte hij zijn fortuin in Napels door het overgieten van oude Romeinse beelden en figuren. Nadat hij in 1780 terugkeerde naar Wenen, opende Hij “Müllers kunstgalerie” op de “Stock-im-Platz” vlakbij de St.Stephen’s kathedraal waar Mozart trouwde. Het werd een bekende toeristenattractie, en de inhoud van het museum bevatte oude standbeelden, wassen beelden van bekende personen en een grote variëteit aan mechanisch speelgoed. Leonard Posch (de maker van het bekende wassen reliëf van Mozart) werkte ook een tijd in de galerie. Von Deym bestelde drie werken bij Mozart voor een mechanisch orgel: K.V.594, 608 en 616. In Maart 1791 (9 maanden voor Mozart,s dood) opende von Deym een mausoleum op de “Himmelpfortgasse” ter nagedachtenis van de nationale held Baron von Loudon, de bekende veldmaarschalk die leefde van 1716 tot 1790, en geliefd was in Wenen vanwege zijn dappere verweer tegen de turken. Het Adagio en Allegro (K.V.594) van Mozart zouden van 8:00 tot 10:00 klinken op de exhibitie van deze veldmaarschalk van wie Deym een dodenmasker had afgenomen en het op een wassenbeeld plaatste. In Augustus 1791 zou het beeld van de veldmaarschalk verplaats worden naar de hoofdgalerie. Het was deze von Deym (Müller) waarover Sophie Weber sprak in haar verslag, en later Zou Constanze Mozart het afnemen van het dodenmasker bevestigen in een brief aan de uitgeversfirma “Breitkopf & Hartel” die gedateerd is op 17 Februari 1802. Verder vertelde Constanze in deze brief dat ook Mozart,s dodenmasker, geplaatst op een wassenbeeld en gekleed in zijn eigen kleren tentoon was gesteld in de Kunstgalerie van Deym. von Deym maakte ook een gipsen kopie van het masker dat hij aan Constanze gaf en welke zij per ongeluk kapot liet vallen in 1820, tijdens het afstoffen van haar appartement. De overlevering wil dat ze gezegd moet hebben dat ze opgelucht was dat het “lelijke oude ding” kapot viel. Hoogstwaarschijnlijk is het dat von Deym een bronzen kopie van het masker moet hebben gehad om tentoon te stellen en als reserve te bewaren hoewel hier geen bevestigende bronnen voor zijn. We mogen hier echter vrij zeker van zijn aangezien dit de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen waren voor het geval een van de gipsen kopieën verloren ging. De kunstgalerie van von Deym verhuist naar de “Kohlmarkt” in 1795. Uiteindelijk werd het gereconstrueerd als een 80 kamers tellend museum in 1798, vlakbij de Rode toren bij het Donau kanaal. In 1799 trouwt von Deym met Josephine Brunsvik. Een naam die in veel muziekliefhebbers oren een belletje kan laten rinkelen aangezien Josephine een kandidaat is voor de identiteit van Beethoven’s onsterfelijke geliefde. Beethoven zou haar het huwelijk aangeboden hebben maar zei wees hem af, blijkbaar omdat hij volgens haar “lelijk was en zich als en volslagen idioot gedroeg”. Niet meer dan een jaar na hun huwelijk hadden von Deym en Jospehine serieuze financiële problemen. Von Deym (die ook drie werken voor mechanische instrumenten bestelde bij van Beethoven) stierf plotseling aan voedselvergiftiging in 1804. Na zijn dood zou de kunstgalerie in het bezit van zijn weduwe blijven, die de kosten ervan blijkbaar niet in haar eentje aankon aangezien het hele museum gesloten werd in 1819. Josephine Brunsvik zelf sterft twee jaar later in 1821, en het gehele museum werd gesloopt in 1825. Dit is eigenlijk waar we alle sporen verliezen van de inhoud van het museum, inclusief Mozart,s dodenmasker.

Hier maakt het verhaal een rare sprong waardoor we terecht komen helemaal in de zomer van 1947. Het jaar waarin een muzikant genaamd Jakob Jelinek op een zonnige dag in Wenen een oude tweedehands antiekzaak binnenstapt en in de schappen een vreemd bronzen masker ziet liggen. Jelinek is musicus en kent Mozart,s gezicht van bekende portretten. In het masker gelooft hij de gelaatstrekken van de componist te zien en hij koopt het voor 10 Oostenrijkse Shillingen. Jelinek merkte grote gelijkenissen op tussen het masker en de portretten van Joseph Lange (Mozart,s zwager) en Doris Stock. Beide waren schilders die Mozart goed kende en hun portretten van Mozart worden vandaag de dag nog steeds als de meest gelijkende beschouwd. Jelinek wordt bijzonder enthousiast en denkt het verloren dodenmasker gevonden te hebben, en na wat navraag wordt hij geadviseerd de mening te zoeken van een bekende beeldhouwer in de “SchülerStrasse” genaamd Willy Kauer. Kauer onderzoekt het masker grondig en deelt Jelinek’s enthousiasme over de zaak. Hij koopt het masker van Jelinek voor 100 Shillingen op 31 Maart 1948. De media krijgen lucht van de zaak en twee maanden later staan er berichten in de krant over de “ongelofelijke ontdekking” . Kauer besluit met het masker naar het Oostenrijkse Ministerie van Onderwijs te gaan, en in 1948 is een groep van experts samengesteld die de authenticiteit van het masker moet vaststellen.

Graag neem ik nu even de ruimte om de anatomische en pathologische kenmerken van het masker te bekijken. Er is geen enkele twijfel mogelijk over het feit dat het masker inderdaad een “dodenmasker” is. In het masker is een afwezigheid op te merken van karakteristieke gezichtslijnen en rimpels boven de wortel van de neus, zoals men ziet bij overledenen waarvan de huid dichter op de schedel komt te liggen. Verder ziet men het lichtelijk naar beneden hangen van de neus, dat of door de verloren bloedcirculatie of door de druk van het aangebrachte gips vervormd is. het vervagen van de beide neusgaten en hun contouren tezamen met de wel gestructureerde haarlijn zijn wederom typisch voor een dodenmasker. Kunnen de gelaatstrekken in het masker die van Mozart zijn? Het hoge voorhoofd, de prominent aanwezige neus, de volheid van de mond, het lichtelijk naar buiten keren van de onderlip, de hartvormige kin en de haarlijn die in het masker te zien zijn, zijn stuk voor stuk vergelijkbaar met de kenmerken die we in alle authentiek bewezen portretten van Mozart terugvinden. Bovendien zijn op het masker littekenen te vinden op wangen en voorhoofd, die door de pokken veroorzaakt zijn. Mozart kreeg ze als kind in 1767, en Maria Anna Mozart ,Mozart’s zuster, schreef in 1794 een brief aan de trompettist Andreas Schachtner, waarin zij stelde dat de jonge Wolfgang er de rest van zijn leven duidelijk door getekend was. Niet eén van de aangewezen experts uit de groep van 1948 gaat tegen de bewering in dat de kenmerken in het masker die van Mozart zijn.

Er zijn ook pathologische kenmerken te vinden in het masker. Er is een aanzienlijke zwelling van de oogleden, het voorhoofd en de wangen die kenmerkend zijn voor Nephrotische Edema (Het opzwellen van het gezicht en ledematen als gevolg van ophopende lichaamssappen). Dit laatste is van belang omdat bronnen vermelden dat Mozart’s lichaam hevig opzwol na zijn dood en hem veel pijn veroorzaakte. De zaak om de authenticiteit van het masker te bewijzen zag er sterk uit, maar er waren problemen ontstaan door verschillende conclusies die voortkwamen uit technische onderzoeken. Uiteindelijk werd het onderzoek flink verstoord door intriges en vooroordelen. Inscripties werden gevonden aan de binnenkant van het masker. Orel, Schwarzacher (beide leden van de groep experts uit 1948) en Kauer, merkte door middel van speciale fotografie de letters A en M op, gegraveerd aan de binnenkant van het masker. Deze ontdekking was van groot belang daar deze letters uiteraard de belangrijkste in Mozart,s naam zijn (A-madeus M-ozart). Kauer was overtuigd dat het wetenschappelijke comité het masker authentiek zou verklaren. Maar hij lokte negatieve reacties uit bij leden van de groep door zijn veelbelovende verhalen naar de pers en door de belofte zelf een lezing te houden over het masker. Tijdens de eerste bijeenkomst van het comité uit 1948, stelde een expert uit de groep, ene Erich Schenk, voor om het masker door middel van superimposie over de bekende “Mozart-schedel” te plaatsen om zo de overeenkomsten te kunnen waarnemen. Dit werd gedaan, maar het masker bleek niet te passen over de schedel uit het Mozarteum en er werd geconcludeerd dat het masker en de schedel van twee verschillende personen waren. Kauer stelde als tegenargument dat, omdat de authenticiteit van de schedel net zo min bewezen was, er geen conclusies getrokken mochten worden uit dit onderzoek. Tijdens de tweede bijeenkomst van het comité bereikte het meningsverschil tussen Kauer en Schenk zijn hoogtepunt. Schenk schreeuwde uit, dat zolang Kauer weigerde te vertellen waar hij het masker vandaan had, hij het vanuit een musicologisch oogpunt altijd als een vervalsing zou verklaren. Kauer hield vol dat de oorsprong van het masker irrelevant was voor de wetenschappelijke bevindingen uit het onderzoek, trok het masker terug, en daarmee ook zijn goedkeuring voor verder onderzoek. Later op diezelfde dag boden twee leden uit de groep, Swarzacher en Chiari, hun rapport van 1 Februari 1949 aan, dat niet unaniem maar ook niet negatief was. Deze sensationele ontwikkelingen in de zaak werden de volgende dag, 2 Februari 1949, over de radio bekendgemaakt. Ondertussen was Jakob Jelinek (de eerste koper van het masker) overtuigd dat Willy Kauer cruciale informatie had achtergehouden en klaagde hem aan jegens fraude. Tijdens de rechtszaak die volgde, werden zowel het bronzen masker als de gipsen kopie in beslag genomen door de rechtbank. Hoe dan ook, het Ministerie van Onderwijs eiste opnieuw verslagen van experts. Op 9 Maart 1950 van het instituut voor Anorganische Technologie en aan het Antropologische Instituut op 20 April 1950. Beide leverde een negatief rapport in: Het masker was waarschijnlijk niet dat van Mozart. Kauer verdacht de vrijmetselaars van vuil spel, aangezien Mozart vrijmetselaar was en het bij de vrijmetselaars de gewoonte was leden van hun beweging te beschermen tegen schandalen en negatieve media-aandacht. De rechtbank zag in deze “belachelijke” stelling geen reden voor onderzoek, en het masker werd op 15 Juli 1950 teruggegeven aan Willy Kauer.

Zes jaar later, tijdens het 200e geboortejaar van Mozart, haalde de musicoloog Dr.Alfred Orel (1883-1967), het Mozarteum in Salzburg over om het masker te laten onderzoeken door de Antropoloog Dr.Aemilian Kloiber. Zijn verslag dat verscheen op 24 November 1956 was positief. Kloiber stelde dat het bronzen masker absoluut zeker dezelfde moet zijn die Muller maakte op 5 December 1791. Hij voegde er wel aan toe dat de inscripties binnen in het masker verder onderzocht moesten worden. Kauer bood het masker voor 250.000 Oostenrijkse schillingen aan bij het Mozarteum. Het Mozarteum organiseerde twee onderzoeken door Instituten in de Chemie, om door middel van verschillende methodes vast te stellen wanneer het bronzen masker gegoten was. Deze rapporten werden tezamen ingeleverd op 15 Juli 1975 bij het Mozarteum. Ene Professor K. Peters ging uit van een datum ergens in het jaar 1869 en een geleerde van het andere instituut, Professor Brukl, dacht aan een jaar op z,n minst na 1890. Het Mozarteum schreef aan Kauer op 28 September 1957: Het masker was niet authentiek, en zijn aanbod om het te verkopen werd afgeslagen. Men moet bij dit soort chemische testen in gedachte houden dat het uitkomende jaartal alles behalve zeker is, en alleen de twee uitslagen die maar liefst 20 jaar verschillen, zijn al reden om deze testen met een korrel zout te nemen. Daarom bleef Willy Kauer ondertussen de inscripties in het masker onderzoeken. Een nummer en twee andere symbolen werden binnen in het masker ontdekt die deels uitgewist waren door corrosie. Op 3 Oktober 1957 ontcijferde Kauer de symbolen. Hij stelde dat het de letters “Th R.” voor moesten stellen. Kauer veronderstelde dat deze initialen moesten toebehoren aan de bronsgieter, Thaddaus Ribola. Een belangrijke en significante ontdekking, aangezien Ribola,s werkplaats in 1790 pal naast het museum van von Deym lag. Als Willy Kauer in 1976 sterft komt het masker in het bezit van Dr.Gunther Duda uit Dachau, welke het masker uiteindelijk schonk aan het Weense Mozart-museum. Het masker is ook nog een keer onderzocht door A.Burmester van het “Munich Doerner Institute”. De rapporten, daterend 21 Juli 1983 en 20 Maart 1984 bevestigde Kauer,s ontdekking van de letters “Th R.” maar stelde dat er geen sporen te vinden waren van de letters A en M in het masker. Burmester concludeerde dat men in 1940 deze initialen verkeerd hadden geïnterpreteerd als A,M en ze in feite Th R. voorstelde en dat dit door de corrosie binnen in het masker, een slordige maar begrijpelijk fout was. Eva Budara-Skoda analyseerde Dr.Duda,s rapport in het “Mozart-Jahrbuch” van 1986, en stelde dat het masker hoogstwaarschijnlijk authentiek is en dat het rapport een “belangrijke contributie is aan de Mozartiaanse Iconografie” We zijn dus tegenwoordig in de wetenschap dat de letters “Th R.” inderdaad aan Thaddaus Ribola de bronsgieter toebehoren, en tezamen met het feit dat het masker opvallend veel overeenkomsten heeft met de authentieke portretten is dit genoeg reden voor toekomstig onderzoek. Wellicht word er in de toekomst wederom een comité van internationale wetenschappers samengesteld, die door middel van de nieuwste technologieën op Anorganisch gebied voor eens en altijd zekerheid kunnen geven over het masker. Er is licht geworpen op de zaak door ene Dr.Tichy, die onderzoek deed naar de schedel in het Mozarteum en die wederom een weloverwogen argument vind voor verder onderzoek naar het dodenmasker. Zij stelt dat de Nephrotische Edema waaraan Mozart leed ten tijde van zijn dood, in beschouwing moeten worden genomen wanneer men het masker met behulp van computerbeelden over het silhouet van de schedel legt. Aangezien het gezicht opgezwollen zou zijn door de Nephrotische Edema, en wellicht daardoor geen gelijkenis vind met de schedel. Zo staan de feiten tot aan vandaag de dag en totdat er nieuwe onderzoeken plaatsvinden kan er niet met zekerheid worden gezegd of het masker Mozart,s daadwerkelijke gezicht nu wel, of niet weergeeft.

Chronologie

5 December 1791 Wolfgang Amadeus Mozart overlijdt. Ergens in de volgende uren komt graaf von Stritetz en neemt het dodenmasker af welke hij later op een modieus gekleed wassenbeeld plaatst en tentoonstelt in zijn kunstgalerie. (Constanze Mozart krijgt een gipsen kopie van het masker)
1795 De kunstgalerie van von Stritetz (inclusief Mozart’s dodenmasker) verhuist naar de Kohlmarkt.
1798 De kunstgalerie word verbouwt tot een museum.
1799 von Stritetz trouwt met Josephine von Brunswick.
1804 von Stritetz sterft aan voedselvergiftiging en het museum (inclusief Mozart’s dodenmasker) komt in het bezit van Josephine von Brunswick.
1819 Het museum word vanwege financiële redenen gesloten.
1820 Tijdens het afstoffen van haar appartement laat Constanze Mozart haar gipsen kopie van het dodenmasker kapot vallen.
1821 Josephine von Brunswick overlijdt.
1825 Het gehele museum word gesloopt en alle sporen van de inhoud ervan (inclusief Mozart’s dodenmasker) verdwijnen en zijn tot op de dag van vandaag niet te traceren.
1947 Jacob Jelinek koopt in een antiekzaak in Wenen een masker dat hem sterk doet denken aan Mozart’s gezicht.
31 Maart 1948 Willy Kauer koopt het dodenmasker van Jacob Jelinek.
1948 Het eerste onderzoeksteam van experts word samengesteld om de authenticiteit van het masker te bevestigen.
1 Februari 1949 De bevindingen van het (onvoltooide) onderzoek worden bekendgemaakt. (positieve uitslag)
9 Maart 1950 Het Oostenrijks ministerie van onderwijst ontvangt de uitslag van verdere onderzoeken naar het masker uitgevoerd door het instituut voor anorganische technologie. (negatieve uitslag)
20 April 1950 Het Oostenrijks ministerie van onderwijs ontvangt het onderzoeksrapport van het antropologisch instituut . (negatieve uitslag)
24 November 1956 Dr.Aemilian Kloiber levert haar, door het Mozarteum aangevraagde, onderzoeksrapport in. (positieve uitslag)
15 Juli 1957 Twee verslagen, opgesteld door instituten in de chemie, worden bij het Mozarteum in Salzburg ingeleverd. (beide negatief)
1976 Willy Kauer overlijdt. Het dodenmasker komt in het bezit van Dr.Gunther Duda.
21 Juli 1983 A.Burmester levert eerste onderzoeksrapport in. (positief)
20 Maart 1984 A.Burmester levert tweede onderzoeksrapport in. (positieve uitslag)
1986 Eva Budara-Skoda analyseert de voorgaande onderzoeken. (positieve uitslag)

 

 

Tom Bouwman